Katja verliet het huis via de keuken en zei tegen Ria: "Ik ga even naar de stad. Tegen het avondeten ben ik weer terug." "Goed juffrouw Katja," antwoordde het dienstmeisje op haar zangerige toon. Ria was een donkerblond, stevig gebouwd
meisje van amper twintig. Ze was de dochter van de tuinman en bewoonde met haar ouders en jongere broer de dienstwoning aan het begin van de oprijlaan. Al vier jaar verzorgde ze, eerst samen met haar moeder maar sinds die niet sterk genoeg meer was alleen, de huishouding van de familie die het kleine landgoed bewoonde. De familie was overigens ook niet groot Katja's moeder was overleden en sindsdien huisde ze er alleen met d'r vader. Deze was meestal voor zaken weg, Katja had geen zin in een baan in de stad en verzorgde haar vaders administratie. Katja, lang en slank, liep met om haar hoofd zwierend goudblond haar naar de garage op het binnenplein van het landhuis. Ze droeg een helgroen strak jurkje, waarin
haar volle borsten goed uitkwamen. Op het pleintje was Erwin, Ria's jongere broer, bezig in het bloemenperk.